werk

Midden in het kantoor waar ik binnen loop, op de grond, ligt een muis, keurig op zijn buik. Het beestje is op sterven na dood. Aan de linker zijkant van zijn buik heeft hij een gapende wond waar insekten in en uit kruipen.
Het beestje moet in doodsangst verkeren, voor hem staat een reus met waarschijnlijk weinig goeds in de zin. Zijn hele wezen wil maar één ding: vluchten, maar zijn pootjes willen hem niet meer dragen.
Zou het beestje het liefst willen dat ik met druk van de hak van mijn schoen zijn nek breek?
Achtenveertig uur verder en ik kan het beestje niet vergeten.
Een muis heeft kraaloogjes die niet vochtig worden als het beestje pijn heeft.
Hoeveel koffie heb ik gedronken sinds het muisje is gestorven? Hoeveel flauwe grappen heb ik sindsdien uit mijn mond laten rollen?
Twee keer heb ik mijn kinderen een zoen voor het slapen gaan gegeven. Tijd loopt door.
Eén bureau met zeven stoelen. Eén computer en ruimte genoeg om er nog één neer te zetten. Twee grote ramen met schermen die met één druk op de knop zakken om de zon tegen te houden. Twee kasten, twee laden en een bakje voor de pennen. Een telefoon die alleen maar rinkelt op onmogelijke momenten.
Het is werk, het betaalt de rekeningen.

Geen opmerkingen: