Avond, tien over half tien. Een vijfde kop koffie, zwart met suiker. Dylans Tell tale signs in de cd-speler. De zoveelste sigaret smeult na in de te vaak geleegde asbak.
De planten buiten gezet, er komt geen nachtvorst meer, heb ik mezelf beloofd.
Het liefst zou ik in de pen klimmen en een lange brief schrijven, maar ik heb geen adres waar ik de brief naar toe zou kunnen sturen. Niemand leest nog, laat staan wat ik schrijf.
Bovendien zou de brief alleen verdwaalde gedachten kunnen bevatten, iets anders kan de inkt in mijn pen niet produceren.
De verregende brokken stoepkrijt in de achtertuin bij elkaar geveegd, opgepakt en in de vuilnisbak gegooid. Mijn regenboogvingers veeg ik af aan het gras.
Ik droom van een varken in de achtertuin, of desnoods een ezel. Dat zou in iedergeval mijn zoon gelukkig maken, zijn lievelingsdier is een ezel. Hij is zes, dan mag dat, hij lijkt op mij.
Ik kan me niet herinneren ooit zes geweest te zijn, toch moet het zo zijn.
Het enige dat ik me herinner van toen ik net zes was geweest, al weer zeven, is dat een jongen in de klas uit vreugde over het begin van de vakantie zijn jas de lucht in gooide. De rits van zijn jas raakte een tl-lamp. Het regende glas en hij kreeg straf.
Het zal de schrik wel geweest zijn dat de tranen in de ogen van de juf stonden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten