Take me to the water

Take Me to the Water from Dust-to-Digital on Vimeo.


Take me to the water!
Take me to the life-streaming water!
Take me to be baptisedIn the name of the Father!
In the name of the Son!
In the name of the Holy Ghost!
Forever, ever, Amen!

Bekijk de film hierboven, voor mij is dit genoeg om het boek en de cd te willen aanschaffen.

de leugen

Otto Snoeshaan heeft geen zoon en toch zegt hij Ja doe maar, is leuk voor mijn zoon, wanneer de dame achter de kassa, na het afrekenen van de boodschappen, vraagt of hij de voetbalplaatjes wil hebben.
Otto heeft zelf een boek om de plaatjes in te plakken en zijn boek is al bijna vol, hij hoeft er nog maar acht. Nog maar acht, maar het wordt wel steeds moeilijker.
Nou is er volgende week een ruilbeurs en Otto heeft er wel meer dan veertig dubbel, hij hoeft er nog maar acht. Nou alleen nog ergens een zoon vandaan halen en Otto kan naar de beurs, voor die laatste acht.
Nog maar acht. Een zoon. Nog maar acht.
Het blijft door Otto's hoofd spoken, nog maar acht.
Het boek moet vol, Otto slaapt er niet van. Even schiet het door zijn hoofd om een advertentie te plaatsen in de krant: dringend gezocht: leen-zoon, maar dat idee verwerpt hij gelijk weer, hoe gek moet je zijn om zo ver te zinken voor voetbalplaatjes? Nee, dat gaat zelfs Otto te ver. Maar gelijk zeurt het weer in zijn achterhoofd: nog acht.
Natuurlijk kan hij de gok wagen en nog wat onnodige boodschappen halen. Het beste is een tas vol blikken kippensoep want bij de kippensoep krijg je deze week extra plaatjes. Otto telt zijn geld en rekent, van zijn laatste geld kan hij nog zeventien blikken kippensoep halen. Zeventien blikken, dat levert twee zakjes plaatjes op, plus per twee blikken één extra zakje, dus tien zakjes plaatjes. Per zakje vier plaatjes, dat zijn veertig plaatjes.
Veertig plaatjes en de rest van de maand, nog tien dagen, alleen maar kippensoep eten.
Al blijft het een gok of de ontbrekende acht bij de veertig zitten, het is een optie.

Het dilemma van een otto

Geachte meneer,

Zie, ik heb een prijs gewonnen en in gedachten heb ik het prijzengeld al tien keer uitgegeven, maar het geld wordt maar niet op mijn rekening gestort. En ik wacht al zeven weken. Ik heb al meerdere malen met de telefoon in de hand gezeten, om eens te informeren waar het geld blijft, maar iedere keer wanneer de telefoon overgaat, hoor ik de stem van mijn moeder: Kinderen die vragen worden overgeslagen en dus hang ik maar weer op voor de telefoon aan de andere kant is opgepakt.
En daarom, schrijf ik u, meneer Balkenende. Zou u niet eens willen bellen?

Met vriendelijke groet,

Otto Snoeshaan

P.S.: ik stem al jaren PVDA, maar dat wil ik best heroverwegen.

lebowski

Van achter de ramen bekeken oogt het goed buiten. Goed genoeg om in versleten jeans en t-shirt op het bankje plaats te nemen, onder de trossen blauwe regen. Starend naar beneden, naar de tenen, concluderen dat nagels geknipt moeten worden en het vervolgens niet doen. Langzaam een sigaret draaien, niet te dik, niet te strak. Nog even wachten met aansteken.
In gedachten de mogelijkheid van een barbecue opperen, niet meer dan dat en zeker nog niet uitspreken, voor je het weet zit je er aan vast.
Nog net niet zomer genoeg om de zonnebril af te stoffen.
Wat moet het heerlijk zijn om zo in de tuin te zitten.
Nou kan ik natuurlijk de achterdeur openen, de sokken uittrekken, de shag meenemen en daadwerkelijk in de tuin, op het bankje, onder de blauwe regen gaan zitten.
Ik zou het kunnen doen, maar de mogelijkheid is genoeg. Het hoeft niet meer.
Bijna lunch-tijd. Is er nog koffie? Er is nog koffie, van vanochtend. Eén schepje suiker. De borden van het ontbijt staan nog op tafel. De kalender zegt dat het maandag is. Op maandag komt er zelden post. Een stapel reclamefolders ligt nog op de mat. De bovenste staat vol stoelen en banken en gereduceerde prijzen in witte letters in rode sterren. Alleen de uitroeptekens ontbreken.
Maandag zou een productieve dag moeten zijn, productie ligt in de maandag besloten. Woorden moeten stromen op papier. Kwasten moeten over canvas denderen.
Ik zag net dat er gisteren een boekenmarkt was, ik loop achter. Dan maar herlezen, De Nachtegalen van J.C. Bloem of Asschepoetster van Hélène Lapidoth-Swarth. Van de duizenden gedichten die ik heb gelezen, heb ik er maar een paar onthouden. De herinnering is zuinig op de beschikbare ruimte.
De konijnen moeten nog eten.
Soms voel ik me net Sal Paradise, maar meestal ook niet. Ik moet schrijven. Niet hier, niet dit. Het is maandag, er moet geschreven worden.
Ik laat de parasol maar ingeklapt. Ik moet zoonlief helpen met de lego.