Van achter de ramen bekeken oogt het goed buiten. Goed genoeg om in versleten jeans en t-shirt op het bankje plaats te nemen, onder de trossen blauwe regen. Starend naar beneden, naar de tenen, concluderen dat nagels geknipt moeten worden en het vervolgens niet doen. Langzaam een sigaret draaien, niet te dik, niet te strak. Nog even wachten met aansteken.
In gedachten de mogelijkheid van een barbecue opperen, niet meer dan dat en zeker nog niet uitspreken, voor je het weet zit je er aan vast.
Nog net niet zomer genoeg om de zonnebril af te stoffen.
Wat moet het heerlijk zijn om zo in de tuin te zitten.
Nou kan ik natuurlijk de achterdeur openen, de sokken uittrekken, de shag meenemen en daadwerkelijk in de tuin, op het bankje, onder de blauwe regen gaan zitten.
Ik
zou het kunnen doen, maar de mogelijkheid is genoeg. Het hoeft niet meer.
Bijna lunch-tijd. Is er nog koffie? Er is nog koffie, van vanochtend. Eén schepje suiker. De borden van het ontbijt staan nog op tafel. De kalender zegt dat het maandag is. Op maandag komt er zelden post. Een stapel reclamefolders ligt nog op de mat. De bovenste staat vol stoelen en banken en gereduceerde prijzen in witte letters in rode sterren. Alleen de uitroeptekens ontbreken.
Maandag zou een productieve dag moeten zijn, productie ligt in de maandag besloten. Woorden moeten stromen op papier. Kwasten moeten over canvas denderen.
Ik zag net dat er gisteren een boekenmarkt was, ik loop achter. Dan maar herlezen,
De Nachtegalen van J.C. Bloem of
Asschepoetster van Hélène Lapidoth-Swarth. Van de duizenden gedichten die ik heb gelezen, heb ik er maar een paar onthouden. De herinnering is zuinig op de beschikbare ruimte.
De konijnen moeten nog eten.
Soms voel ik me net Sal Paradise, maar meestal ook niet. Ik moet schrijven. Niet hier, niet dit. Het is maandag, er moet geschreven worden.
Ik laat de parasol maar ingeklapt. Ik moet zoonlief helpen met de lego.