waar je W. niet zoekt, zou je 'm kunnen vinden

Het enige dat ik van W. weet is dat zijn naam niet W. is. Al het andere is speculatie. Het zijn de wilde gedachten op de late avond die nog moet beginnen.
W. staat spoorloos voor mijn neus. In het duister, afwezig.
En in die afwezigheid drukt hij op mijn gemoed, op het zoeken naar het WAAR van de HEID. W. heeft maar drie woorden op zijn lippen: zie mij aan. Hij is zich er terdege van bewust dat dit een contradictie is, zo stel ik mij voor. Ik weet het niet, allemaal veronderstelling.
Ik moet weg van de veronderstelling, mijzelf losrukken uit de aangeleerde oogopslag. Ik zie wat ik alleen maar geleerd heb om te zien. Ik zie niet meer de leegte, de schaduw, de ruimte rondom W.
En voor je het vraagt, W. is nooit gefotografeerd. Er is geen beeld van W. geen afdruk van zijn gelaat, al lijt zijn gelaat wel een afdruk achter. Een afdruk op het netvlies van een dag die begon met de wekker en eindigt met de wekker.
Is het ooit opgevallen dat W. rookt? Dat W. slist als hij vloekt? Dat W. er nooit is wanneer je hem nodig hebt? W. is weg, vertrokken richting de noorderzon, zoekend naar warmte schrijven de kranten.
Al bevatten kranten zelden iets anders dan leugens en halve waarheden.

zoeken naar W.

W. wil niet gevonden worden. Zijn verjaardag - op 30 februari, schrijf maar in de agenda - viert hij niet. Het is zo'n lieve jongen, al heb ik ook wel andere verhalen gehoord over klauwen en bloed. En hoe hij stond te schelden tot de blaren op zijn vingers stonden.
W. is best een lieve jongen, als hij niet de was aan de vlaggenstok en de moedwil aan de wilgen hangt.
Eenmaal heb ik hem persoonlijk gesproken, toen was hij al platgespoten. Dat is beter voor W., zeiden de doktoren, maar W. had daar andere gedachten over, zo zag ik in zijn wild starende ogen.
Geef W. eens ongelijk, de lieve jongen.