Het enige dat ik van W. weet is dat zijn naam niet W. is. Al het andere is speculatie. Het zijn de wilde gedachten op de late avond die nog moet beginnen.
W. staat spoorloos voor mijn neus. In het duister, afwezig.
En in die afwezigheid drukt hij op mijn gemoed, op het zoeken naar het WAAR van de HEID. W. heeft maar drie woorden op zijn lippen: zie mij aan. Hij is zich er terdege van bewust dat dit een contradictie is, zo stel ik mij voor. Ik weet het niet, allemaal veronderstelling.
Ik moet weg van de veronderstelling, mijzelf losrukken uit de aangeleerde oogopslag. Ik zie wat ik alleen maar geleerd heb om te zien. Ik zie niet meer de leegte, de schaduw, de ruimte rondom W.
En voor je het vraagt, W. is nooit gefotografeerd. Er is geen beeld van W. geen afdruk van zijn gelaat, al lijt zijn gelaat wel een afdruk achter. Een afdruk op het netvlies van een dag die begon met de wekker en eindigt met de wekker.
Is het ooit opgevallen dat W. rookt? Dat W. slist als hij vloekt? Dat W. er nooit is wanneer je hem nodig hebt? W. is weg, vertrokken richting de noorderzon, zoekend naar warmte schrijven de kranten.
Al bevatten kranten zelden iets anders dan leugens en halve waarheden.
1 opmerking:
Slissende vloeken,
ik denk, nee ik voel, ruik dat ik van W gehouden heb.
Als ik voor mijn geestesoog zie hoe zijn mondhoeken zich vals krullend verbinden met een Godsgloeiende, dan wil ik weer daar zijn.
Alle achtentwintig minifluimpjes die van zijn boze lippen springen als hij zich overgeeft aan vuig gevloek, wil ik opvangen in een zachte poetslap...
Een oud t shirt of een uit het elastiek geraakte onderbroek.
Opvangen.
Een reactie posten